
'En toen ...', zegt Lukie, 'schrok ik mij bij-na dood! In de win-kel wa-ren mui-zen-
val-len ge-zet. Acht mui-zen-val-len.
Twee gro-te mui-zen-val-len en zes klei-ne mui-zen-val-len.
Met cho-co-la-de-eitjes.'
'Cho-co-la-de-eitjes?', her-haalt Sonja
ver-
baasd,
'in mui-zen-val-len
hoort toch
kaas?'.
'Pre-cies', zegt Lukie, 'Mui-zen zijn gek op kaas! En waar vind je kaas?
Bij de kaas-boer! Naast de
cho-co-la-te-rie.
Ik zei te-gen mijn vriend dat hij ge-lijk moest ver-hui-zen.
En dat deed hij. De kin-de-ren moes-ten heel erg wen-nen dat ze niet meer el-ke dag cho-co-la moch-ten e-ten.
Ge-luk-kig von-den zij kaas ook heel lek-ker. Ze smik-kel-den hun buik-jes rond.'
'Werd de kaas-boer toen niet heel erg boos?' vraagt Sonja.
'Nee', antwoordt Lukie,
'hij werd heel erg
be-roemd!
Al-le klan-ten von-den zijn ga-ten-kaas de
lek-kerste kaas ter we-reld. De men-sen stroom-den naar hem toe.
Hoe meer ga-ten er in de kaas za-ten, hoe
lek-ker-der ze het von-den! De kaas-boer
zet-te zijn win-kel van on-der tot bo-ven vol met ka-zen. Er was geen leeg plek-je meer te beken-nen.'
'En de mui-zen?', vraagt Sonja.
'Die be-gon-nen heel hard te pie-pen.
Dat ze hun buik er van vol had-den!'
(PS: en zijn toen gauw weer gaan
ver-hui-zen! Wordt ver-volgd)